De rit is subliem. Eerst doorheen een smalle kloof, die tevens het Kunjerab nationaal park vormt. We bewonderen talrijke rosse, dikke marmotten en bruine, donkerrode, grijze, groene berghellingen. Net voor de pas zien we vele yaks grazen. Op
Op de pas zien we de rode vlag schitteren, naast een dubbele prikkelomheining die tot aan de eerste bergen leidt. Vanaf nu rijden weer rechts. Wat raar. Het wegdek is vanaf hier in perfecte staat. De controle verloopt zeer efficiënt en neemt dus heel wat tijd in beslag. De nood aan cafeïne roept en onder het verbazend oog van de grenswachters besluit Nick om op de pas een koffietje te zetten met onze gasbrander.
Net na de pas zien we de eerste dromedarissen. De vallei op chinees grondgebied blijft een lust voor het oog. Zo breeds, begrensd met grote witte toppen. Redelijk snel zien we ook bebouwing: eerst kleine hutjes gemaakt van dikke keien en zelfgemaakte bakstenen en yurts (witte, ronde tenten). Na verloop van tijd is er meer structuur en heeft de chinese bouworde piepkleine huizen en zelfs betonnen yurts en waterkanalen aangelegd.
Het is een heel vreemd gevoel om plots totaal andere gelaatstrekken te zien. Dit geldt voor de Han-Chinezen (vaak politie, grenswachter, militair) die hier overgeplaatst werden. De Tadjieken en Oejoeren die de oorspronkelijke bevolking vormen, verschillen niet zo fel van bepaalde Pakistanen. Redelijk lichtgekleurde huid en groen en zelfs blauwe ogen. Het meest verbazende zijn de vrouwen die we weer op straat zien (in Sost zag ik er geen enkele). De vrouwen dragen hetzelfde hoofddeksel met sjaal erover als in bepaalde gebieden in Noord-Pakistan, maar dan met een gecentreerde rok, blazer en naaldhakken. De mannen dragen geen snor noch baard meer.
Na een rit van 6 uur volgt eindelijk de laatste controle. Via een list slaag ik erin een boek van Nick over “Conflicten en ontwikkeling in China” toch over de grens te krijgen (zogezegd in de wagen vergeten en na de controle de chauffeur het boek gaan laten halen). Toeristen hadden ons reeds verwittigd dat de Lonely Planet van China bv geconfisceerd werd. Gedurende de laatste controle word zelfs onze lichaamstemperatuur gemeten. Op een groot bord in de immigratiehal staan de foto’s van al het douanepersoneel en een uitgebreide lijst met hun verplichtingen en verboden. (ze mogen niet kletsen, geen eigen lectuur meebrengen, geen cadeautjes aan de passagiers vragen, geen ruzie maken,...). De douanebeambte’s zijn dan ook superbeleefd en kijken steeds strak voor zich uit.
In de eerste chinese kleine stad “Tashurgen” lopen we totaal verbouwereerd rond. De stad is gelegen op een wijds plateau omgeven door talrijke pieken. De straten zijn picco-bello 4-baanswegen waar maar af en toe een wagen op rijdt. Doorheen geluidssprekers weergalmt van 6u ’s morgens tot 20u een chinese stem die veel te vertellen heeft. De gebouwen zijn zeer pompeus opgericht maar naar mijn bescheiden mening in totaal ‘foute’ smaak (bv. felroos met goudkleurige zuilen). We stappen een eerste restaurant binnen en niemand spreekt een woord Engels. Lang leve de menukaart met fotootjes en engelse zinnetjes. Maar als er 20 keer “ special hot dish” op staat geraak je niet echt verder. Het eten met stokjes is iets voor geduldige mensen. Per hap maar 1 noedel in je mond krijgen is redelijk frustrerend.
Bij gebrek aan gidsboek of plan stappen we op goed geluk doorheen de stad op zoek naar het historisch centrum. We trachten iemand te vinden die wat Engels kan, maar tevergeefs. Mensen reageren op onze engelse vragen uitgebreid in het Chinees. Na een omweg via een buitenwijk (waar er plots weer lemen huizen zijn) komen we toch op de laan die de “place to be” blijkt te zijn. Of zoals een bord het verduidelijkt “Cultural street for tYvalling & shopping”. Er bevinden zich meerder hotels en wij gaan op zoek naar het goedkoopste. Dat blijkt er eentje te zijn waar er ondanks het feit ik er vrije kamers zie, we toch niet mogen blijven. Vermoedelijk heb je hier hotels voor toeristen en andere (goedkopere) voor Chinezen. In Paksitan zouden we op al die zoektijd al zoveel bezoekjes voor thee en zelfs voor onderdak aangeboden gekregen hebben, maar hier worden we redelijk genegeerd, op de kinderen na. We slaan zelfs een zucht van verluchting wanneer er eentje ons aanspreekt en achter onze naam vraagt.
Op het einde van de grote baan, kom je in een immense grasvlakte waar er vele yurts staan. Het contrast met de brede ongebruikte baan, weergalemende luidspreker kan niet groter zijn. Er bevindt zich een oude, stenen stad die eigenlijk maar een immense hoop losse stenen blijkt te zijn met een paar zeer dikke muren van een 1800 jaar oud fort.
Vanaf nu geniet ik van haren in de wind en Nick van een whisky-cola. China heeft zo zijn voordelen.
De volgende dag trachten we een bus te nemen tot in Kashgar. De ticketjes die we hiervoor kochten worden een uur voor vertrek terug betaald want volgens de ticketbeambte heeft de chauffeur hoofdpijn. Aangezien er geen andere bussen meer vertrekken rijden we met een pick-up die tevens dienst doet als prive-taxi mee. De rit is weeral o-ver-wel-di-gend. We rijden langs de Alma Athi, meer dan
Het wegdek is naar chinese gewoonte een pareltje van kunst, maar toch rijdt men hier steeds aan een slakkengangetje van max
Ik geniet ontzettend van het onderweg zijn. De vrijheid, het onbekende en het uitzoeken zijn de ingrediënten bij uitstek om ons dagelijks te laten verrassen. Mijn gedachten dwalen ook regelmatig af naar het feit dat we onderweg naar huis zijn. Hoe we ons leven in België verder gaan oppikken...